it onderdeel van de Intellectuele Eigendom spreekt misschien wel het meest tot de verbeelding.
Het octrooirecht beschermt uitvindingen. We zien in gedachten de eenzame uitvinder in zijn garage
en de peperdure research-afdelingen van de multinationals.
VOOR ZOWEL DE INDIVIDUELE uitvinder als de multinational - en alles wat daar tussen zit - bezit het octrooirecht dezelfde valkuil. Zodra de uitvinding openbaar is geworden, loopt de octrooiaanvrager het levensgrote risico dat octrooieerbaarheid onmogelijk is. De uitvinding is dan namelijk niet "nieuw" meer.
Aan de orde komen: wetgeving | vereisten voor octrooieerbaarheid | ontstaan van het recht | duur van het recht | rechthebbende | collisie | inhoud van het recht | exploitatie van het recht | uitputting | recht op voorgebruik.
Lees eerst ter introductie: Rechtsgebied.
De huidige Rijksoctrooiwet is in 1995 van kracht geworden; deze wet verving de oude uit 1910.
Er zijn nogal wat verdragen in het octrooirecht van toepassing. Zo is er het Unieverdrag van Parijs uit 1883
en het Verdrag van Straatsburg uit 1963. Dit laatste verdrag somt de octrooirechtelijke beginselen op
die in de nationale wetgevingen moeten gelden.
Zie over het Unieverdrag van Parijs (onder Unieprioriteit): Rechtsgebied - Algemeen - Verdragen.
Verder zijn van belang het Europees Octrooiverdrag van München en het Samenwerkingsverdrag
van Washington en de Richtlijn betreffende de bescherming van biotechnologische uitvindingen.
Tenslotte is er het Gemeenschapsoctrooiverdrag. Het lijkt erop dat dit verdrag nooit in werking zal treden.
Een octrooi voor de gehele Europese Unie wordt hoogstwaarschijnlijk mogelijk op basis van een toekomstige
Gemeenschapsoctrooiverordening.
Vereisten voor octrooieerbaarheid
Een uitvinding moet aan een aantal eisen voldoen, wil de uitvinder octrooi kunnen verkrijgen.
Het moet uiteraard gaan om een uitvinding. Een uitvinding lost een technisch probleem op. Er ontstaat iets
dat er eerst niet was (een voortbrengsel). Of er voltrekt zich een procédé dat zich tevoren nog niet had voltrokken (een werkwijze).
Een - wetenschappelijke - ontdekking is geen uitvinding. Een pas ontdekte natuurwet, bijvoorbeeld,
bestond altijd al. Natuurlijk kan een ontdekking wel aan de basis liggen van een uitvinding.
Nieuwheid
Een tweede vereiste is nieuwheid. Alles wat al deel uitmaakt van de "stand der techniek" is per
definitie niet nieuw. De stand der techniek is een ruim begrip: het omvat alles wat op enigerlei wijze waar ook
ter wereld openbaar is geworden.
Het gaat hier bijvoorbeeld om beschrijvingen in de literatuur, brochures en demonstraties, maar
ook om octrooien en gepubliceerde octrooiaanvragen. Er zijn nogal wat uitvinders die zich zelf in de
vingers snijden: door hun eigen acties wordt de vinding openbaar. Octrooiering is dan niet meer
mogelijk!
Er is een belangrijke uitzondering op de regel. Openbaarmaking is niet nieuwheidschadelijk als sprake is van misbruik
ten opzichte van de octrooi-aanvrager.
ONDER UITDRUKKELIJKE GEHEIMHOUDING toont u een geïnteresseerde producent uw uitvinding. Hij houdt zich
niet aan de gemaakte afspraak en publiceert de uitvinding. De uitvinding is dan niet nieuw meer, maar u kunt toch nog een
octrooi verkrijgen.
Zorg dat u beschikt over een schriftelijke geheimhoudingsverklaring met daaraan gehecht het afschrift van een
notariële depotakte waarin de uitvinding beschreven wordt. Dit kan u helpen uw gelijk te halen. Het beste is in elk geval
zolang als mogelijk is uw mond te houden.
Zie ook: Bescherming - Diversen - Geheimhoudingsverklaring |
Notarieel depot.
Ook dient sprake te zijn van een uitvindershoogte. Een uitvinding moet in zekere zin verrassend zijn.
Anders gezegd, de gebruikte nieuwe elementen moeten voor een deskundige niet voor de hand liggen.
Het moet gaan om een "inventieve stap". Ook de toepassing van iets bekends op een nieuw terrein
of de samenvoeging van bekende elementen kan iets verrassends opleveren.
Een vierde eis is de vatbaarheid voor toepassing. Een deskundige moet door bestudering van het octrooi het
resultaat kunnen bereiken dat het octrooi beschrijft. Een uitvinding moet werken, moet toegepast kunnen worden.
De uitvinding moet liggen op het gebied van de nijverheid. Hiermee wordt bedoeld dat de vinding industrieel
toepasbaar dient te zijn. De landbouw valt hier ook onder de term "nijverheid".
Chirurgische ingrepen of geneeskundige behandelingen zijn niet octrooieerbaar. De geneeskunst behoort niet tot de nijverheid.
Geneesmiddelen echter weer wel; deze worden immers industrieel vervaardigd.
Ook octrooieerbaar zijn microbiologische werkwijzen en de hierdoor verkregen voortbrengselen. In 1998 is de Richtlijn betreffende
de bescherming van biotechnologische uitvindingen vastgesteld. Deze richtlijn is inmiddels in de Rijksoctrooiwet geïmplementeerd.
Tenslotte mag de uitvinding niet in strijd zijn met de openbare orde en goede zeden.
Voor het verkrijgen van een octrooirecht is vereist dat u beschikt over een verleend octrooi.
Nationale octrooiverlening
De aanvrage voor het octrooi wordt ingediend bij het Octrooicentrum Nederland. Het Octrooicentrum kijkt allereerst
of aan een reeks formele vereisten is voldaan. Zo wordt gecheckt of de aanvrage überhaupt een beschrijving van de uitvinding bevat.
De beschrijving van de uitvinding moet zo zijn opgesteld, dat deze door een deskundige kan worden toegepast. In de
meeste octrooien wordt hiertoe allereerst de stand der techniek beschreven zoals die was voordat de uitvinding
werd gedaan. Dan komt aan de orde welk probleem zich voordoet in de stand der techniek. Vervolgens
wordt beschreven hoe de uitvinding het probleem oplost. De beschrijving wordt vaak geïllustreerd met tekeningen.
Een octrooiaanvrage moet uitmonden in een of meer conclusies. In de conclusie(s) geeft
de aanvrager aan voor welk onderwerp nu precies bescherming voor wordt gezocht. Het woord "conclusie"
is hier misschien wat ongelukkig gekozen. De termen "claim" (Engels) of "Patent- anspruch"
(Duits) geven de bedoeling beter weer.
Tot uiterlijk dertien maanden na de aanvrage moet de aanvrager vragen om een ambtelijk nieuwheidsonderzoek. Dit onderzoek wordt
verricht door het Octrooicentrum. De uitkomst van het onderzoek speelt bij de verlening van het octrooi overigens
geen enkele rol.
Verlening vindt plaats als de aanvrage in het octrooiregister is ingeschreven (achttien maanden na de indieningsdatum).
Is op moment van inschrijving de uitslag van het nieuwheidsonderzoek nog niet bekend, dan wordt
twee maanden nadat die uitslag bekend is geworden, het octrooi verleend.
Is een octrooi ingeschreven, dan is het openbaar toegankelijk. Voor die tijd dus niet. Dit laatste
kan van belang zijn, als de aanvrager bijvoorbeeld de exploitatie in het geheim wil voorbereiden.
De aanvrager kan vragen om eerdere inschrijving. Als de aanvrager direct bij de aanvrage vraagt om een nieuwheidsonderzoek
en om inschrijving, kan een octrooi vrij snel verkregen worden.
DE BOVENSTAANDE PROCEDURE staat beschreven in de nieuwe Rijksoctrooiwet. Zijn voorganger - de octrooiwet
uit 1910 - was veel gedegener. Of een uitvinding nieuw en inventief is, kwam voor 1995 al tijdens de
octrooiverleningsprocedure aan de orde.
Kras geformuleerd: op basis van de huidige octrooiwet is het mogelijk een octrooi te
verkrijgen op het wiel of de paperclip. Tijdens een rechtszaak zal uiteraard blijken dat zo'n
octrooi van nul en generlei waarde is. Van een octrooirecht is hier dan ook geen sprake.
Zie ook: Bescherming - Octrooiaanvraag - Nationaal octrooi.
Voor de praktijk is het Europees Octrooiverdrag van München uit 1975 van groot belang. Met één
Europese aanvrage kan in een aantal landen tegelijkertijd een octrooi aangevraagd worden. Deze aanvrage
wordt ingediend bij het Europees Octrooibureau (gevestigd te Rijswijk en München). Voldoet het
octrooi aan alle voorwaarden, dan verleent het Bureau het octrooi.
Is het octrooi eenmaal verleend, dan valt het uiteen in een bundel nationale octrooien. Er is geen verschil in
een nationaal octrooi die direct in dat land is aangevraagd of via een Europese aanvrage.
De Europese octrooiverleningsprocedure werkt uiteraard efficiënter dan het aanvragen van een octrooi in de
afzonderlijke landen. Veel dubbel werk wordt voorkomen.
Er zijn enkele belangrijke verschillen met de Nederlandse verleningsprocedure. Zo gaat het Europees
Octrooibureau daadwerkelijk na of aan alle eisen van de octrooieerbaarheid is voldaan.
Pas als dat volgens het Bureau het geval is, wordt octrooi verleend.
Na verlening kan binnen negen maanden een oppositieprocedure gestart worden. Dan kan blijken dat bijvoorbeeld (een
gedeelte van) het octrooi toch wel tot de stand der techniek behoort en dus niet voor octrooiering in
aanmerking komt. In de praktijk zullen met name concurrenten oppositie voeren.
Ook kan beroep aangetekend worden tegen beslissingen die tijdens de verlenings- en
oppositieprocedure zijn genomen. Al met al kan het dus knap ingewikkeld worden.
Wordt een octrooi herroepen, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan. De herroeping
werkt zogezegd met terugwerkende kracht.
Zie ook: Bescherming - Octrooiaanvraag - Europees octrooi.
Er wordt steeds vaker gebruik gemaakt van de mogelijkheden die het Samenwerkingsverdrag van
Washington (Patent Cooperation Treaty, kortweg PCT) uit 1970 biedt. Er zijn meer dan 130 staten lid
van dit verdrag.
Op basis van dit verdrag is het mogelijk om in vele landen tegelijkertijd octrooi aan te vragen.
Deze octrooiaanvrage kan gericht worden aan de World Intellectual Property Organization (WIPO)
in Zwitserland. Het verdrag voorziet in één internationaal nieuwheidsonderzoek door bijvoorbeeld
het Europees Octrooibureau. Dat werkt natuurlijk heel efficiënt.
De eigenlijke octrooiverlening geschiedt door de nationale instanties van de aangevraagde landen of - bijvoorbeeld -
het Europees Octrooibureau.
Zie ook: Bescherming - Octrooiaanvraag - Verdrag van Washington.
EEN OCTROOIAANVRAGER HEEFT TAL VAN MOGELIJKHEDEN.
Zoekt hij octrooibescherming
in Nederland, Frankrijk, Duitsland, Italië, Japan en de Verenigde Staten, dan kan hij bijvoorbeeld
beginnen met een Nederlandse aanvrage. Op basis van de Unieprioriteit kan hij vervolgens een aanvrage
indienen op grond van het Samenwerkingsverdrag van Washington.
Onder dit verdrag vindt vervolgens het nieuwheidsonderzoek plaats. Voor de Verenigde Staten en Japan
zal de daar geldende, nationale octrooiverleningsprocedure doorlopen moeten worden. Voor Frankrijk,
Duitsland en Italië kan de aanvrager gebruik maken van het Europees Octrooiverdrag van München en de daarbij
behorende Europese procedure.
Als octrooiverlening plaatsvindt, heeft de aanvrager een Amerikaans en
Japans octrooi en een Europees octrooi dat voor Nederland, Frankrijk, Duitsland en Italië nationale
werking heeft.
Meer over de 'Unieprioriteit': Rechtsgebied - Algemeen - Verdragen.
In Nederland is een Europees- en nationaal octrooi twintig jaar
geldig.
Belangrijk is dat deze termijn begint te lopen vanaf de octrooiaanvrage. De
verleningsprocedure moet dus van de beschermingsduur afgetrokken worden.
Het kan zijn dat na het verlenen van het octrooi nog vele procedures gevolgd moeten worden
voordat een bepaald produkt op markt mag komen (denk maar eens aan geneesmiddelen!). De Rijksoctrooiwet maakt
het mogelijk in dat soort gevallen een aanvullend beschermingscertificaat aan te vragen.
Dit certificaat biedt - na afloop van het basisoctrooi - maximaal vijf jaar extra
bescherming.
Vernietiging en opeising
Gedurende de looptijd van het octrooi ligt altijd het gevaar van vernietiging en opeising op de
loer.
Iemand kan de nietigheid van het octrooi inroepen, bijvoorbeeld omdat de vinding wel
degelijk tot de stand der techniek behoort of omdat de uitvindershoogte ontbreekt. De
vernietiging heeft in beginsel terugwerkende kracht; het octrooi wordt geacht nooit te hebben
bestaan.
Diegene die meent recht te hebben op een octrooi, kan het octrooi opeisen. Hij heeft daarvoor
in beginsel de tijd tot twee jaar na de verlening van het octrooi.
Rechthebbende
Het octrooi komt toe aan diegene die de uitvinding doet: de uitvinder.
Is de uitvinding in een gezamenlijke inspanning gedaan, dan hebben allen gezamenlijk recht op het
octrooi. Geen recht op octrooi heeft diegene die zijn uitvinding ontleend heeft aan die van een ander.
Wel kan de werkgever aanspraak maken op het octrooi. Het moet dan gaan om een
uitvinding van een werknemer die ervoor is aangenomen om - populair gezegd -
soortgelijke uitvindingen te doen. De werknemer heeft het recht om als uitvinder
in het octrooi te worden genoemd. Bovendien kan hij soms aanspraak maken op een financiële vergoeding
(zie ook het TNO/Ter Meulen-arrest van de Hoge Raad uit 2002).
Als iemand meent dat hij de uitvinder is en niet de aanvrager van het octrooi, dan biedt Rijksoctrooiwet
twee mogelijkheden.
Hij kan aan de rechter vragen vast te stellen dat hij aanspraak op het octrooi maakt. Of hij
vraagt direct zelf octrooi aan. Normaal gesproken zou hij geen kans maken; de eerdere aanvrage
behoort namelijk tot de "fictieve stand der techniek" (zie hieronder bij "collisie").
De octrooiwet maakt echter een uitzondering voor dit soort gevallen: hier maakt de aanvrage geen
deel uit van de stand der techniek.
Is het octrooi van zijn tegenstrever inmiddels ingeschreven in het octrooiregister, dan behoort
het wel tot de stand der techniek. De enige mogelijkheid is dan nog het octrooi op te eisen.
Zie hierboven over opeisen van een octrooi: Duur van het recht - Vernietiging en opeising.
Het kan zijn dat twee personen onafhankelijk van elkaar tot eenzelfde uitvinding komen. Zo'n
geval van collisie wordt in het octrooirecht als volgt geregeld. Diegene die het eerst
aanvraagt, verkrijgt het octrooi. De datum waarop de uitvinding feitelijk wordt gedaan, is
niet van belang.
Stel Janssen dient op 1 juli 2003 een octrooiaanvrage in. Pietersen dient voor dezelfde uitvinding
op 1 november 2003 een octrooiaanvrage in. Voor het verlenen van het octrooi is onder andere vereist
dat de uitvinding nieuw is (niet tot de stand der techniek behoort). Is de aanvrage van Janssen
ingeschreven (gepubliceerd) dan, dan behoort deze tot de stand der techniek en kan Pietersen zijn octrooi
vergeten.
Wat nu als de aanvrage van Janssen nog niet gepubliceerd is? De Nederlandse en Europese
octrooiwetgeving bepalen dat de eerdere octrooiaanvraag voor de publicatie reeds
behoort tot de stand der techniek. Dit is opmerkelijk omdat de aanvrage op dat moment nog geheim is.
We spreken dan ook over een "fictieve stand der techniek". Over deze fictieve stand struikelt
de octrooiaanvrage van Pietersen.
Voorwaarde is wel dat de aanvrage van Janssen gepubliceerd wordt. Ziet Janssen af van publicatie,
dan behoort de aanvrage niet tot de stand der techniek en verkrijgt Pietersen zijn octrooi.
Om het (nog) ingewikkelder te maken. Het kan zijn dat bijvoorbeeld Janssen en Pieterssen in een
Europese octrooiaanvrage verschillende landen aanwijzen. De regeling van de fictieve stand der techniek
geldt dan niet. Het is denkbaar dat in zo'n geval op dezelfde uitvinding in verschillende landen
een octrooi komt te rusten.
ER BESTAAT OOK NOG ZO IETS als een "fictieve indieningsdatum". De octrooiaanvrager loopt het risico dat iemand die
later een aanvrage doet toch voorgaat. Dit doet zich voor als de Unieprioriteit (van één jaar) van toepassing is.
Stel: u vraagt op 1 mei een Nederlands octrooi aan. Het is dan raadzaam om vòòr 1 mei van het daarop volgende jaar
ook in andere (bij het Unieverdrag van Parijs aangesloten) landen octrooi aan te vragen. In die andere landen geldt dan de fictieve
indieningsdatum van 1 mei van het voorafgaande jaar.
Meer over de 'Unieprioriteit': Rechtsgebied - Algemeen - Verdragen.
De octrooihouder bezit een monopolie op zijn uitvinding. Alleen hij mag de uitvinding exploiteren.
De octrooiwet noemt handelingen die onder de term "exploitatie" vallen: vervaardigen, in de handel brengen,
importeren, gebruiken van het product, toepassing van de werkwijze, etc.
Ook het in voorraad hebben wordt genoemd, hoewel hier in strikte zin geen sprake is van exploitatie.
Verder kan de octrooihouder optreden tegen producten die rechtstreeks
zijn verkregen uit een geoctrooieerde werkwijze.
HOE BEWIJST U NU dat een geoctrooieerde werkwijze is gebruikt? Dat zal vaak moeilijk zijn; u heeft immers als octrooihouder geen toegang tot het bedrijf van uw concurrent. De wet geeft u een handreiking: als ook het produkt nieuw is, dan wordt ervan uitgegaan dat dat produkt is vervaardigd volgens de geoctrooieerde werkwijze.
De octrooihouder kan ook "indirecte" inbreuk aanpakken. De indirecte inbreukmaker verschaft bedrijfsmatig middelen
(zoals onderdelen en grondstoffen) waarmee octrooirechtinbreuk gepleegd kan worden. Het moet dan wel gaan om
"middelen betreffende een wezenlijk bestanddeel van de uitvinding". De koffiepads voor het Senseo koffiezetapparaat
horen daar kennelijk niet bij, zie het Sara Lee/Intergro-arrest van de Hoge Raad (2003).
Er gelden enkele belangrijke begrenzingen op het octrooirecht.
Een octrooischrift eindigt altijd in een of meer conclusies. Hierin beschrijft de octrooihouder voor welk(e) onderwerp(en) hij nu precies
bescherming zoekt. Deze conclusies zijn heel belangrijk: de inhoud ervan bepaalt de omvang van het octrooirecht.
Zie over conclusies ook hierboven (onder 'Nationale octrooiverlening'): Ontstaan van het recht.
Wij komen hier bij een van de lastigste kwesties in het octrooirecht: wat valt wel en wat valt niet onder
deze conclusies? Wanneer is wel en wanneer is geen sprake van "equivalentie"?
Bij de bepaling van de beschermingsomvang van een octrooi moet een afweging worden gemaakt tussen een redelijke bescherming
van de octrooihouder en een redelijke rechtszekerheid voor anderen. Niet de letterlijke tekst van de conclusies is
allesbeslissend; het gaat om de achter deze conclusies liggende uitvindersgedachte (het wezen van de uitvinding).
Zo mag niet te snel aangenomen worden dat de octrooihouder afstand heeft gedaan van een gedeelte van de bescherming waarop het octrooi
recht geeft, aldus de Hoge Raad in het Van Bentum/Kool-arrest uit 2002.
Onduidelijkheden in de conclusies werken echter ten nadele van de octrooihouder. Ook de inhoud van het octrooiverleningsdossier kan bij een
beperkte uitleg van de conclusies een rol spelen (zie het Dijkstra/Saier-arrest van de Hoge Raad uit 2006).
Het monopolie ontstaat pas op het moment van octrooiverlening en
het vervalt als het octrooi zijn geldigheid verliest.
Op grond van een Nederlands octrooi kan de octrooihouder zich verzetten tegen de
exploitatie van de uitvinding in Nederland (en de Nederlandse Antillen). Niet uiteraard tegen bijvoorbeeld
productie in China. Wel kan de invoer in Nederland van die Chinese produkten aangepakt worden.
De octrooihouder kan zich alleen verzetten tegen economische exploitatie.
Een geoctrooieerbare werkwijze, bijvoorbeeld, mag dus wel voor privé-gebruik of wetenschappelijke doeleinden
worden toegepast.
Exploitatie van het recht
Een octrooihouder kan zijn uitvinding zelf exploiteren. Hij kan echter ook zijn
octrooirechten aan een ander overdragen.
Octrooirechtoverdracht dient schriftelijk te geschieden. De overeenkomst werkt alleen tegen
een ander, wanneer die overeenkomst is ingeschreven in het octrooiregister. Er is een uitzondering:
als die ander op een andere manier van de overdracht op de hoogte is gekomen (Philips/Staat-arrest, Hoge Raad,
1950).
Octrooirechten kunnen ook in licentie gegeven worden. Deze licentiëring hoeft niet schriftelijk
plaats te vinden. Toch raden we dit wel aan. Zo bepaalt de octrooiwet dat de
licentiehouder alle handelingen mag verrichten die aan de octrooihouder zijn voorbehouden, tenzij
in de licentieovereenkomst anders bepaald wordt. Voorkom hier misverstanden!
Een vreemde eend in de bijt is de zogenaamde dwanglicentie. De Minister van Economische Zaken
of de rechter kan deze licenties verlenen. De dwanglicentie gaat dus buiten de octrooihouder om.
Het algemeen belang kan een reden zijn om tot deze forse maatregel over te gaan.
Uitputting
Als een produkt waarop octrooirecht rust rechtmatig in het verkeer is gebracht, mogen anderen
deze produkten verhandelen. De octrooihouder kan hier niet meer tegen optreden: zijn octrooirecht is
"uitgeput".
De uitputting is in het octrooirecht territoriaal begrensd. Zo is een Nederlands octrooirecht in
ons land uitgeput als het produkt hier rechtmatig in het verkeer is gebracht (hetzelfde geldt voor
de gehele Europese Economische Ruimte). Wordt het betreffende produkt echter bijvoorbeeld in Taiwan
gemaakt en vervolgens ingevoerd in Nederland, dan kan de octrooihouder wèl optreden.
Zie ook:
Rechtsgebied - Algemeen - Verdragen - Europese Economische Ruimte
Een uitvinder hoeft geen octrooi aan te vragen. Soms kiest hij er voor de uitvinding geheim te houden.
Onderdeel van het verkrijgen van een octrooi is immers dat de vinding gepubliceerd wordt. Iedereen - ook
de concurrentie - kan er dan kennis van nemen.
Nadeel is echter wel dat bedrijven die in het geheim uitvindingen toepassen, anderen niet kunnen verbieden
van dezelfde technische kennis gebruik te maken. Er is immers geen octrooirecht verkregen. Bovendien
kan een ander octrooi aanvragen op een identieke uitvinding.
Wordt het octrooi verleend (dat kan, als de aanvrager de uitvinding niet heeft afgekeken en de uitvinding
nog niet tot de stand der techniek behoort), dan mag de zogenaamde voorgebruiker gebruik blijven
maken van de uitvinding. De octrooihouder moet deze inbreuk op zijn rechten dulden.
De voorgebruiker kan overigens zijn recht op voorgebruik overdragen aan een ander, maar dan wel alleen
samen met zijn bedrijf. De wet- gever voorkomt zo dat het voorgebruiksrecht uitgroeit tot een zelfstandig
exploitatierecht van de uitvinding.
Meer weten over Intellectuele Eigendom? Zie Rechtsgebied - Algemeen.
Email: info@bescherm-uw-idee.nl -
Telefoon: 065 3344558 -
U kunt ook gebruik maken van onderstaand formulier.
Nieuws | Over ons | Doelgroep | Rechtsgebied | Bescherming | Inbreuk | Afspraken | Workshop | Advocatuur
Boek van de
maand
Appetite For Self-Destruction, Knopper (2009)
Film (DVD)
Flash Of Genius, Abraham (2009)
Recensie
Trailer
U komt hier terecht op de website van bol.com.

Externe links
Links die genoemd worden in de tekst:
Rijksoctrooiwet
Voorbeeld van een Nederlands octrooi
Voorbeeld van een Europees octrooi
Unieverdrag van Parijs (engelstalig) -
aangesloten landen
Europees Octrooiverdrag van München (engelstalig)
Samenwerkingsverdrag van Washington (engelstalig) -
lidstaten
Richtlijn betreffende de bescherming van biotechnologische uitvindingen
Gemeenschaps-
octrooiverdrag (niet in werking getreden)
Octrooicentrum Nederland
Europees Octrooibureau -
aangesloten landen
WIPO
TNO/Ter Meulen-arrest, Hoge Raad, 2002
(octrooi)
Sara Lee/Intergro-arrest, Hoge Raad, 2006
(octrooi)
Van Bentum/Kool-arrest, Hoge Raad, 2006
(octrooi)
Dijkstra/Saier-arrest, Hoge Raad, 2006
(octrooi)
Externe links vallen buiten onze verantwoordelijkheid.
Bescherm uw Idee b.v.
Advies inzake Intellectuele Eigendom - sinds 2001