ndernemingen proberen hun waren en diensten aan de man te brengen. De meeste van deze waren en diensten zijn "gemerkt".
Het merk zorgt er voor dat de consument het betreffende product weer terug kan vinden. We noemen dit de identificatiefunctie van
het merk.
Daarnaast is het merk een drager van goodwill. Een merk staat voor een bepaalde kwaliteit,
een bepaald prestige en imago. Dit kan zover gaan dat het merk voor de consument het belangrijkste
onderdeel van het product is geworden.
WERELDBEROEMDE MERKEN - en niet alleen die - zijn zeer veel geld waard. We moeten in sommige gevallen denken aan bedragen in de orde van tientallen miljarden Euro's (Coca-Cola!).
Aan de orde komen:
wetgeving |
merk |
ontstaan van het recht |
nietigheid van de inschrijving |
duur van het recht |
verval van het recht |
inhoud van het recht |
exploitatie van het recht |
gemeenschappelijke markt |
gemeenschapsmerk |
internationale registratie.
Lees eerst ter introductie: Rechtsgebied.
Het merkenrecht is geregeld in een gedeelte van het Benelux-Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom. Het verdrag geldt in alle
drie lidstaten en is in 2006 in werking getreden.
Doel van verdrag is het wegnemen van belemmeringen op onder andere merkenrechtelijk gebied. Het Benelux Gerechtshof zorgt voor
een univorme uitleg.
In 1989 werd de Europese Merkenharmonisatierichtlijn vastgesteld. Het merkenrecht is hierop aangepast. Voor wat betreft
deze aanpassingen is niet het Benelux Gerechtshof de hoogste rechter, maar het Europese Hof van Justitie.
Zie ook: Rechtsgebied - Algemeen - Rechtspraak.
Er zijn nogal wat internationale afspraken op merkenrechtelijk gebied.
Zo bevat het Unieverdrag van Parijs (uit 1883) en het TRIPs-verdrag (uit 1994) enkele merkenrechtelijke bepalingen.
Verder is er de Overeenkomst van Madrid en het daarmee samenhan- gende Protocol inzake de internationale registratie van merken (1891).
Zie ook: Rechtsgebied - Algemeen - Verdragen.
De Verordening inzake het Gemeenschapsmerk uit 1993 is in praktijk van groot belang. Er kan nu voor
de gehele Europese Unie in één keer een merk gedeponeerd worden.
Zie ook: Rechtsgebied - Algemeen - Richtlijnen en verordeningen.
Een merk heeft als belangrijkste functie de identiteit van de oorsprong van waren of diensten te waarborgen.
De consument moet deze waren of diensten zonder gevaar voor verwarring van waren of diensten van andere herkomst kunnen onderscheiden
(zie het Sat.2-arrest van het Europese Hof van Justitie uit 2004).
Twee soorten merken
Er zijn twee soorten merken: individuele - en collectieve merken.
De Benelux Merkenwet omschrijft het individuele merk als teken dat dient om de waren of diensten van een
onderneming te onderscheiden. Dit is wel het bekendste soort merk: Shell voor olieprodukten, Heineken
voor bier, Philips voor elektronica, etc.
Collectieve merken
Collectieve merken zijn ervoor om één of meer kenmerken te onderscheiden van waren of diensten die afkomstig zijn van
verschillende ondernemingen. Bekende voorbeelden zijn het Wolmerk, Max Havelaar en Bovag.
De houder van een collectief merk moet erop toezien dat het merk alleen wordt aangebracht als aan de
eisen is voldaan. Deze eisen staan vermeld in het reglement dat de houder bij het depot van het
collectief merk in moet dienen.
De houder heeft dus een toezichthoudende functie. Hij mag dan ook niet het merk gebruiken voor waren of diensten
afkomstig uit zijn eigen onderneming.
Onderscheidend vermogen
Onder het begrip "merk" vallen alle tekens die dienen om de waren of diensten van een
onderneming te onderscheiden.
Dat kunnen zijn namen (Albert Heijn), logo's (de drie strepen van Adidas), letters (TPG), cijfers (4711), een slagzin (Heerlijk,
Helder, Heineken), vormen (de driehoekige chocoladereep van Toblerone), verpakkingen (het Coca-Colaflesje), maar ook bijvoorbeeld een
kleur (KLM-blauw).
In 2002 en 2003 heeft het Europese Hof van Justitie bepaald dat ook een klank als merk kan dienen, een geur echter niet
(in respectievelijk het Für Elise- en het Sieckmann-arrest).
Een merk moet "onderscheidend vermogen" hebben. Het Hof van Justitie maakte in het Mag Instrument-arrest (uit 2004)
duidelijk dat hierbij gekeken dient te worden naar de waren en diensten waarvoor de inschrijving is aangevraagd en naar hoe
het publiek tegen het merk aankijkt.
Het gaat bij dit publiek om "de normaal geïnformeerde, redelijk omzichtige en oplettende, gemiddelde consument van de betreffende
waren of diensten". Deze consument zal het teken als geheel waarnemen en let niet op (alle) details. Of een teken onderscheidend
vermogen heeft (en dus merk kan zijn), is afhankelijk van het door het teken opgeroepen "totaalindruk".
Soms zijn tekens te ingewikkeld om als merk te fungeren (een lange slagzin, bijvoorbeeld). Ook als tekens heel eenvoudig
zijn, worden ze door het publiek wellicht niet als merk gezien (dank aan een stip). Verder kunnen tekens die uitsluitend beschrijvend
zijn, niet als merk dienen. "Apple" voor appels kan niet, maar als merk voor computers is "Apple" geen enkel probleem.
Sterke en zwakke merken
Een merk kan een klein of groot onderscheidend vermogen bezitten. Hoe sterker het merk, het groter
de bescherming is die het geniet. Hoe zwakker het merk, hoe minder bescherming (Hof van
Justitie in het Canon/Cannon-arrest, 1998).
De kracht van een merk is geen vast gegeven. Door "inburgering" kan een zelfs een teken dat eerst niet
geschikt was als merk toch een onderscheidend vermogen krijgen. Ondernemingen geven nogal eens enorme
bedragen uit om hun merk "in de markt te zetten".
Het omgekeerde kan ook. Het publiek gaat de merknaam als soortnaam gebruiken. Er is dan sprake van
"verwatering". Het merk verliest elk onderscheidend vermogen. Enkele voorbeelden: cellotape,
luxaflex, vaseline en hansaplast.
Het merk Spa (mineraalwater) en Google (internetzoekmachine) lijken ondertussen ook te verwateren.
Een merk behoort soortgelijke waren (of diensten) van elkaar te onderscheiden. Het is een onderscheidingsteken.
Een vormmerk mag dan ook niet bestaan uit "wezenlijke waarde van de waar". Het teken is dan immers geen
onderscheidingsteken meer, maar deel van de waar zelf.
De vorm van een Grolsch-beugel behoort niet tot de wezenlijke waarde van de waar (bier), maar de
vorm van een kristallen beeldje wel (glaswerk). Bij dit beeldje bepaalt immers "uiterlijk en vormgeving door
haar fraaiheid of oorspronkelijk karakter in belangrijke mate de marktwaarde" (het Benelux
Gerechtshof, Burberry I-arrest, 1989).
Het beeldje kan uiteraard wel auteurs- of modelrechtelijk beschermd zijn.
Zie: Rechtsgebied - Auteursrecht |
Modellenrecht.
Het merkenrecht is er niet voor om technische vindingen te beschermen (daarvoor dient het octrooirecht). Het merkenrecht kan in beginsel
eeuwig duren en het octrooirecht "maar" maximaal twintig jaar.
De vorm die noodzakelijk is om een bepaalde technische uitkomst te verkrijgen kan dan ook geen merk zijn. Dat er een alternatieve vorm
bestaat waarmee hetzelfde technische effect bereikt kan worden, doet daarbij niet terzake (Hof van Justitie,
Philips/Remington-arrest, 2002).
Zie: Rechtsgebied - Octrooirecht.
Als u een merk deponeert bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom beschikt u nog niet direct over het merkrecht.
Het merkrecht verkrijgt u pas als het Benelux-Bureau het merk heeft ingeschreven. De tijd die tussen depot en
inschrijving ligt, kan wel enkele maanden bedragen.
Tegen extra betaling zorgt het Benelux-Bureau er echter voor dat het merk binnen enkele dagen wordt ingeschreven.
Wij raden dringend aan van deze mogelijkheid gebruik te maken.
Als u dat wenst, kan het Benelux-Bureau nog een merkonderzoek uitvoeren. Dit onderzoek heeft
slechts een informatief karakter. Iemand kan dus best weer het merk Campina voor zuivel
deponeren. Het Benelux-Merkenbureau kan de inschrijving van dit depot niet weigeren. In de praktijk is de
inschrijving echter van geen waarde.
Zie verder uitgebreid: Bescherming - Merkdepot - Benelux merkdepot.
LAAT U UW MERK NIET ALS MERK INSCHRIJVEN, dan kunt u op geen enkele manier tegen het gebruik
van dat merk optreden. Zelfs niet op basis van een onrechtmatige daad. Het Benelux-Verdrag
bepaalt dit uitdrukkelijk. Zonder inschrijving dus niet alleen geen merkrecht, maar geen enkel recht!
Zie over onrechtmatige daad: Rechtsgebied - Onrechtmatige daad.
Het Benelux-Bureau weigert een merk in te schrijven als het merk onderscheidend vermogen mist,
in strijd is met de goede zeden of openbare orde of het publiek zou kunnen misleiden.
Ook wordt het merk niet ingeschreven als het een oorsprongsaanduiding bevat voor wijnen en sterke drank,
terwijl het product niet uit dat gbeid afkomstig is.
In de praktijk blijkt het Benelux-Bureau nogal wat merken te weigeren bij gebrek aan onderscheidend vermogen.
Het Hof van Justitie steunt deze strenge lijn in het Postkantoor-arrest uit 2004. Het algemeen
belang noopt er volgens het Hof toe dat:
"alle tekens of benamingen die kunnen dienen tot aanduiding van de kenmerken van de waren of diensten
waarvoor de inschrijving wordt aangevraagd, voor alle ondernemingen vrij beschikbaar blijven zodat zij deze
tekens en benamingen kunnen gebruiken om dezelfde kenmerken van hun eigen waren te beschrijven."
Sommige tekens moeten dus door concurrenten gebruikt kunnen blijven worden; de zogenaamde "Freihaltebedürfnis".
Biomild, Companyline en Postkantoor kunnen dan ook geen merk zijn. Je kunt je afvragen of - afgezien van
het woord Postkantoor - deze tekens nu echt voor concurrenten beschikbaar behoren te blijven. Baby-dry voor luiers mocht
echter weer wel.
Zie verder: Bescherming - Merkdepot - Benelux merkdepot - Weigering.
INBURGERING IS DE ENIGE MANIER om een beschrijvend teken toch onderscheidend vermogen te geven en dus als merk
in te kunnen laten schrijven. Grootscheepse reclamecampagnes kunnen hiermee helpen.
Zie ook hierboven: Merk - Sterke en zwakke merken.
Sinds 2004 kan de merkhouder oppositie voeren tegen een merk dat later is gedeponeerd en dat naar zijn mening met
het ouder merk conflicteert. Hij heeft twee maanden de tijd de oppositieprocedure te starten (gerekend vanaf de
eerste dag van de maand volgend op de publicatie van het depot).
Slaagt de oppositie dan weigert het Benelux-Bureau het merk in te schrijven.
Zie verder: Bescherming - Merkdepot - Benelux merkdepot - Oppositie.
Een belanghebbende en het Openbaar Ministerie kunnen in bepaalde gevallen de merkinschrijving nietig laten verklaren.
Zij kunnen zich daarbij alleen beroepen op de nietigheidsgronden die uitdrukkelijk in het Benelux-Verdrag zijn
genoemd (Lux-arrest van het Benelux Gerechtshof uit 1985). Wij noemen hieronder de belangrijkste.
De eerste nietigheidsgrond is dat het teken geen merk kan zijn, met name omdat het teken
onderscheidend vermogen mist.
Zie verder hierboven: Merk - Onderscheidend vermogen.
Ook kan de merkinschrijving in strijd met de goede zeden of openbare orde nietig worden verklaard. Hetzelfde geldt voor
de inschrijving van nationale vlaggen en wapens, emblemen van internationale gouverne- mentele organisaties en officiële waarborgtekens
(denk aan het zilvermerk).
Een andere nietigheidsgrond is de mogelijke misleiding van het publiek. Denk hierbij aan misleiding omtrent de samenstelling van de
waren (bijvoorbeeld een koe als merk voor margarine).
De Hoge Raad stelde in 1991 vast dat ook sprake is van misleiding als de onjuiste indruk wordt gewekt dat sprake is van erkenning
van overheidswege (Nivak-arrest).
Collisie
Als een overeenstemmend merk al eerder is ingeschreven, kan de houder van die "oudere" inschrijving om nietigverklaring van de inschrijving van
het jongere merk verzoeken.
Bij deze zogenaamde "collisie" wordt niet alleen gekeken naar overeenstemmende merken voor soortgelijke waren, maar ook naar
overeenstemmende merken voor niet-soortgelijke waren. Er gelden in dat laatste geval wel zwaardere eisen.
Het moet gaan dan namelijk gaan om een in het Beneluxgebeid bekend merk. Ook moet door het gebruik van het jongere merk - zonder geldige
reden - ongerechtvaardigd voordeel worden getrokken uit of afbreuk worden gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het
oudere merk.
Een "oudere" merkhouder moet wel op tijd actie ondernemen. Heeft hij het gebruik van het jongere merk gedurende vijf opeenvolgende jaren
bewust gedoogd, dan kan hij de nietigheid van het jongere merk niet meer inroepen.
WIJ RADEN U DRINGEND AAN bij het Benelux-Bureau een abonnement op latere merken te nemen. Dit abonnement houdt u op de hoogte van alle later ingeschreven
merken die mogelijk conflicteren met uw merk. U kunt dan - op tijd! - beslissen hiertegen actie te
ondernemen. Dit kan door het instellen van oppositie of door het verzoeken om nietigverklaring van de inschrijving.
Zie: Bescherming - Merkdepot - Benelux merkdepot - Abonnement op latere merken.
Zie verder hierboven: Ontstaan van het recht - Oppositieprocedure.
Diegene die ooit merkhouder was, maar wiens merkinschrijving inmiddels vervallen is, kan de nietigheid inroepen van een "jongere" merkinschrijving.
Het moet dan gaan om een overeenstemmend merk voor soortgelijke waren. De nietigheid kan niet onbeperkt ingeroepen worden.
Voor individuele merken geldt een periode van twee jaar na het verloop van de merkinschrijving, voor collectieve merken is de periode
drie jaar.
Zie hierboven over individuele - en collectieve merken: Merk - Twee soorten merken.
Het doel van deze nietigheidsgrond is duidelijk: voorkomen dat een ander profiteert van de goodwill van het oudere,
inmiddels vervallen merk.
Algemeen bekende merken
De gebruiker van een algemeen bekend merk (zoals Coca-Cola, Ferrari en Microsoft) kan de nietigheid inroepen van de inschrijving van een verwarringwekkend merk, ook al is
dat bekende merk zelf niet ingeschreven (!). Hij heeft hiervoor de tijd tot vijf jaar na de merkinschrijving van dat verwarringwekkende
merk. Is de inschrijving te kwader trouw verricht, dan geldt helemaal geen termijn.
Het gaat hier "alleen maar" om de nietigheid van de inschrijving van het conflicterende merk. Om gebruik van het merk te verbieden
zal allereerst het algemeen bekende merk moeten worden ingeschreven. Zonder inschrijving is er immers geen merkrecht.
Zie ook hierboven onder: Ontstaan van het recht.
Tenslotte kan de nietigheid inroepen worden van een merkinschrijving waarvan het depot te kwader trouw is verricht. De wet noemt
onder andere als voorbeeld de deposant die - kort (en onvolledig) gezegd - weet dat een ander binnen de laatste drie jaar een
overeenstemmend merk voor soortgelijke waren heeft gebruikt.
Er zijn nog meer voorbeelden te bedenken. Zo is ook de deposant te kwader trouw, als hij weet dat een bepaald teken in dezelfde sector
als handelsnaam wordt gebruikt en het dan toch op zijn eigen naam als merk deponeert.
HEEFT U NAGELATEN UW MERK IN TE LATEN SCHRIJVEN, dan kunt u toch proberen de inschrijving van een overeenstemmend merk te vernietigen.
Er dient dan wel sprake zijn van te kwader trouw: u moet bewijzen dat de merkhouder op het moment dat hij het depot verrichtte wist of behoorde te
weten dat u het merk gebruikte.
En uiteraard moet u te goeder trouw zijn: u mag bijvoorbeeld niet geweten hebben dat de merkhouder het
teken al eerder dan u gebruikte. Slaagt de vernietigingsactie, dan kunt u uw merk inschrijven en vervolgens een verbod op het gebruik
vorderen.
Al met al heeft u wel een lange en lastige weg te gaan. Beter is daarom zo snel mogelijk, liefst voordat u het merk gaat gebruiken,
het in te laten schrijven door het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom.
Zie voor meer informatie: Bescherming - Merkdepot.
Het bijzondere van het merkrecht is dat het in beginsel een eeuwig- durend recht is. Elke tien jaar kan
de inschrijving voor weer tien jaar verlengd worden. Eigenlijk is dit logisch: een onderneming behoort in staat te worden gesteld
de merken die zij gebruikt te blijven gebruiken.
Van belang is wel dat tussentijds het ingeschreven merk niet gewijzigd kan worden. Wordt een merk
dus "gerestyled" dan zal het opnieuw gedeponeerd moeten worden.
Verval van het recht
Hoewel het merkrecht dus in beginsel eeuwigdurend is, kan het wel tussentijds vervallen. Hieronder noemen we enkele gronden voor een dergelijk verval.
Bij vrijwillige doorhaling of verstrijken van de geldigheidsduur van de merkinschrijving, vervalt het recht.
Niet-gebruik
Het merkrecht vervalt ook als het merk gedurende een ononderbroken tijdvak van vijf jaar niet gebruikt wordt.
Onder gebruik van het merk wordt hier "normaal gebruik" verstaan. Het gebruik moet er toe strekken een afzet te vinden of
te behouden en niet enkel en alleen om het recht op een merk in stand te houden (Ansul/Ajax-arrest, Hof van Justitie, 2003).
Er kan een "geldige reden" zijn voor het niet-gebruik van het merk. Zo'n geldige reden wordt echter niet snel aangenomen.
Het moet namelijk gaan om "belemmeringen die een rechtstreeks verband houden met dit merk en gebruik van dit merk onmogelijk
of onredelijk maken en die zich buiten de wil van de houder van dit merk voortdoen" (Armin Häupl/Lidl Stiftung-arrest,
Hof van Justitie, 2007).
HOUD ER REKENING MEE DAT een enkel nietszeggend briefje eens in de zoveel maanden niet genoeg is voor "normaal gebruik". En dat het achterwege blijven van commercieel succes geen "geldige reden" is om het merk dan maar niet meer te gebruiken.
De gevolgen van het niet-gebruik gedurende vijf jaar kunnen (meestal) voorkomen worden als het merk daarna weer wèl
gebruikt wordt en wel vòòrdat een ander een vordering tot vervallenverklaring instelt. Dit wordt ook wel met een mooi Duits
woord "Heilung" genoemd.
Verwatering
Ook vervalt het merkrecht als het merk door toedoen of nalaten van de merkhouder tot soortnaam is verworden. Deze soortnaam
- voorheen: het merk - onderscheidt dan niet meer de waren of diensten van een bepaalde onderneming, maar benoemt een bepaalde soort
(bijvoorbeeld hagelslag). We noemen dit "verwatering". Zie hierover het Bostongurka-arrest van het Hof van Justitie uit 2004.
Zie verder hierboven: Merk - Sterke en zwakke merken.
Het Benelux Gerechtshof heeft bepaald dat niet alleen een woordmerk (zoals hagelslag) kan verwateren, maar dat
ook het onderscheidend vermogen van een vormmerk zo kan verminderen dat de merkhouder
zich niet meer kan verzetten tegen gebruik door anderen (Hartvormige gisttabletten-arrest, Benelux Gerechtshof, 1997).
VOER ALTIJD EEN AGRESSIEF MERKENBELEID. Laat u gebruik van vergelijk- bare merken teveel toe of geeft u anderen ruimhartig
toestemming gebruik van uw woord-, beeld- of vormmerk te maken, dan loopt u een groot risico: vermindering van het onderscheidend
vermogen van uw merk of zelfs het totale verlies daarvan.
Zie ook uitgebreid: Bescherming - Merkdepot.
Tenslotte vervalt het merkrecht als het merk - door het gebruik dat ervan wordt gemaakt - het publiek kan misleiden (met name omtrent
aard, hoedanigheid en geografische herkomst).
INZAKE GEOGRAFISCHE HERKOMSTAANDUIDINGEN is een speciale Europese Verordening van kracht. Wij gaan hier niet verder op in. Wilt u meer over dit onderwerp weten, neem dan contact met ons op.
Het gaat er hier dus om hoe het merk gebruikt wordt. Bij de eerder genoemde nietigheidsgrond "misleiding" wordt alleen gekeken naar
de merkinschrijving zelf.
Zie hierboven: Nietigheid van de inschrijving.
De merkhouder bezit het uitsluitend recht op het gebruik van zijn merk. Hij kan zich dan ook verzetten
tegen inbreuk. De Benelux-Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom noemt vier inbreukcriteria.
Voor alle vier criteria geldt dat het gebruik van het inbreukmakende merk "in het economisch verkeer"
moet plaatsvinden. Het gaat dan om gebruik dat plaatsvindt in het kader van een handelsactiviteit waarmee
een commercieel doel wordt nagestreeft (Arsenal/Reed-arrest, Hof van Justitie, 2002).
De eerste drie inbreukcriteria hebben betrekking op het gebruik "ter onderscheiding van waren of diensten".
Het vierde criterium richt zich op het gebruik "anders dan ter onderscheiding van waren of diensten".
Als iemand een merk van een ander op zijn eigen waren aanbrengt, is natuurlijk sprake van gebruik ter
onderscheiding van waren. Het is niet altijd zo eenvoudig. Ook het gebruik van het BMW-logo in een adverten-
tie van een specialist die auto's van dit automerk verkoopt, repareert en onderhoudt valt onder "gebruik ter onderscheiding van waren"
(BMW/ Deenik-arrest, Hof van Justitie, 1999).
Wij behandelen hier kort (en bij lange na niet volledig) de verschillende inbreukcriteria.
Eerste inbreukcriterium
De houder van een ingeschreven merk kan zich verzetten tegen het gebruik in het economisch verkeer van dat merk
voor dezelfde waren (of diensten) waarvoor het merk is ingeschreven.
Dit criterium heeft betrekking op gebruik van het - zo goed als - zelfde merk voor precies dezelfde
waren of diensten (Arthur & Félicie-arrest, Hof van Justitie, 2003).
Denk hierbij aan merkpiraterij: nagemaakte Nike-schoenen,
Rolex-horloges, etc. De merkhouder kan hiertegen zonder meer optreden. De wet stelt geen nadere voorwaarden (wel bij de andere
drie criteria!).
Tweede inbreukcriterium
De houder van een ingeschreven merk kan zich verzetten tegen het gebruik in het economisch verkeer van
dat merk of een overeenstem- mend teken voor dezelfde of soortgelijke waren (of diensten), als daardoor bij het
publiek verwarring kan ontstaan.
Centraal in dit criterium staat het begrip verwarring. Het is voor merkinbreuk niet vereist dat die
verwarring bij het publiek daadwerkelijk optreedt. Voldoende is de mogelijkheid van verwarring:
"verwarrings- gevaar" (Adidas/Marca-arrest, Hof van Justitie, 2000).
In het Benelux-Verdrag staat letterlijk "gevaar voor associatie". Deze (lichtere) eis
niet voldoende, zo besliste het Hof van Justitie in het Sabel/Puma-arrest uit 1997. Het moet wel degelijk
gaan om gevaar voor verwarring.
Of van verwarringsgevaar sprake is, wordt bepaald door een scala aan factoren.
Vooral spelen een rol: de overeenstemming van het merk met het (mogelijk inbreukmakende) teken,
de onderscheidingskracht van het ingeschreven merk en de soortgelijkheid van de waren of diensten.
Zie het Lloyds/Loint's-arrest van Hof van Justitie uit 1999.
Er is sprake van overeenstemming als het publiek een verband legt tussen merk en teken, dat wil zeggen beide
met elkaar associeert (Adidas/Fitnessworld, Hof van Justitie, 2003). De overeenstemming wordt
vastgesteld aan de hand van de "totaalindruk"
die bij gemiddelde consument wordt gewekt (Matratzen-arrest, Hof van Justitie, 2006).
De gelijkenis tussen het merk en het teken kan visueel, auditief of begripsmatig van karakter zijn.
Het kan echter zo zijn dat hoewel beide bijvoorbeeld hetzelfde klinken, er toch geen sprake is van voldoende
overeenstemming, vanwege de visuele verschillen en verschillen in betekenis. Zie het Sir/Zihr-arrest
van het Hof van Justitie uit 2006.
Hoe sterker het merk - dat wil zeggen hoe groter zijn onderscheidende kracht - hoe
groter de kans op verwarring. Of een merk sterk is hangt af van het eigene, het bijzondere
van het merk, maar ook bijvoorbeeld van zijn bekendheid bij het publiek (Chiemsee-arrest,
Hof van Justitie, 1999).
Zie ook hierboven: Merk - Onderscheidend vermogen.
Bij de bepaling of waren of diensten soortgelijk zijn, moet rekening gehouden worden met alle relevante
factoren. Zo spelen aard, bestemming, gebruik en het concurrerend of complementair karakter een rol.
Is een merk bekend, dan zal ook eerder sprake zijn van soortgelijke waren of diensten (Canon/Cannon-arrest,
Hof van Justitie, 1999).
Alle bovengenoemde factoren beïnvloeden elkaar. Zo kan een geringe soortgelijkheid van de waren of diensten
worden gecompenseerd door een grote mate van overeenstemming tussen de merken.
U VERKOOPT SPULLEN met een bordje waarop staat: "deze artikelen zijn niet afkomstig van de merkhouder".
Er lijkt dan geen gevaar voor verwarring meer. Toch werkt zo'n "disclaimer" niet. Met name nadat de
artikelen zijn verkocht, kan de indruk ontstaan dat deze afkomstig zijn van de merkhouder.
Er is dan sprake van "post sale confusion".
Zie het Arsenal/Reed-arrest van het Hof van Justitie uit 2002.
De houder van een ingeschreven merk kan zich verzetten tegen het gebruik in het economisch verkeer van dat merk
of een overeenstem- mend teken ter onderscheiding van waren (of diensten).
Er moet dan wel aan twee voorwaarden voldaan zijn:
Het merk moet bekend zijn binnen het Beneluxgebied.
Door het gebruik - zonder geldige reden - moet ongerechtvaardigd voordeel worden getrokken uit
of afbreuk worden gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk.
Bekende merken kunnen zich verzetten tegen dit gebruik voor zowel soortgelijke als niet soortgelijke waren
(of diensten). Dit heeft het Hof van Justitie in 2003 uitgemaakt in het Davidoff/Gofkid-arrest.
Zie ook hiervoor: Inhoud van het recht - Tweede inbreukcriterium - Soortgelijke waren of diensten.
Een merk is bekend binnen de Benelux als het bekend is bij een aanmerkelijk deel van het (Benelux-)publiek waarvoor
de waren of diensten bestemd zijn. Aldus het Hof van Justitie in het Chevy-arrest (1999). Het hoeft dus niet
te gaan om een algemeen bekend merk of een merk dat in de gehele Benelux bekendheid geniet.
Zie verder hierboven: Nietigheid van de inschrijving - Algemeen bekende merken.
Van een geldige reden is sprake als van de ander in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij
zich van het gebruik van het teken onthoudt. Deze definitie geeft het Benelux Gerechtshof in
het Claeryn/Klarein-arrest uit 1975. Een voorbeeld van een geldige reden is het gebruik van een
handelsnaam al vòòrdat het merk gebruikt werd.
Zie ook: Rechtsgebied - Handelsnaamrecht.
Er zijn drie soorten gevallen waarin sprake is van ongerechtvaardigd voordeel trekken uit of
afbreuk doen aan het onderscheidend vermogen of reputatie van een merk:
Het gebruik van wereldberoemde merken voor welke soort waren of diensten dan ook (Coca-Cola
voor potloden, McDonald's voor kleding).
De negatieve of belachelijkmakende werking ten koste van het merk, als gevolg van de aard
van de waren of diensten waarvoor het teken gebruikt wordt (Claeryn voor jenever en Klarein voor allesreiniger).
Het gebruik van een teken, waarbij verwarring - à la het tweede inbreukcriterium - te duchten is.
Het verschil is wel dat het hier niet om soortgelijke waren of diensten hoeft te gaan. Bij niet
soortgelijke waren of diensten is uiteraard minder snel sprake van verwarring.
Zie ook hierboven onder: Inhoud van het recht - Tweede inbreukcriterium.
Daarnaast zijn er ook nog wel andere gevallen denkbaar. Zo verbood de President van de Rechtbank
Utrecht het gebruik van het teken ME voor het verzorgen van omroepprogramma's (WE/ME-uitspraak
uit 2001). Het kledingconcern WE Netherlands zou anders namelijk "niet, en in ieder geval minder
dan voorheen, in staat (...) zijn haar producten onder het merk WE een uitstraling te geven die
aantrekkelijk en duidelijk herken- baar is voor klanten, en daarvoor ook effectief reclame te maken."
Vierde inbreukcriterium
De houder van een ingeschreven merk kan zich verzetten tegen het gebruik van dat merk of een overeenstemmend
teken anders dan ter onderscheiding van waren of diensten.
Voorwaarde is wel dat door dat gebruik - zonder geldige reden - ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit
of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk.
Een verschil met de eerste drie inbreukcriteria is dat het gebruik niet hoeft plaats te vinden in het economisch verkeer.
Twee voorbeelden uit de praktijk: het gebruik van een Cola-Colaflesje in een sexscène van een film en het (oude) beeldmerk
van Philips op de omslag van een tijdschrift, waarbij de sterren in dat beeldmerk vervangen waren door hakenkruizen.
Dit inbreukcriterium is verder van belang voor het aanpakken van het gebruik van het merk als domeinnaam (zie onder andere het
Passies/Gaos-arrest van het Hof Amsterdam uit 2000). Hetzelfde geldt voor het gebruik van het merk als handelsnaam.
Zie ook: Rechtsgebied - Domeinnaamrecht | Handelsnaamrecht.
Een merkhouder kan zijn merk uiteraard voor zijn eigen waren of diensten gebruiken. Hij kan ook
besluiten zijn merkrecht aan een ander over te dragen of in licentie te geven. Overdracht kan echter alleen voor het gehele
Benelux-gebied. Overdracht dient bovendien schriftelijk plaats te vinden. Een licentie kan daarentegen mondeling verleend worden.
HET IS ECHTER VAN GROOT BELANG de licentie-overeenkomst schriftelijk vast te leggen. Ook een licentie werkt namelijk alleen tegen derden, als deze is ingeschreven bij het Benelux-Bureau. En zo'n inschrijving kan vanzelfsprekend alleen met een schriftelijke overeenkomst.
De wet bepaalt uitdrukkelijk dat licentie en overgang mogelijk zijn los
van de overdracht van de onderneming. Het bedrijf Shell zou dus in theorie zijn merk kunnen verkopen en zelf
onder een ander merk verder gaan. Bij faillissement is deze mogelijkheid van groot belang: het merk kan
als afzonderlijk vermogensbestanddeel worden geëxecuteerd.
Het in licentie geven van een merk is vaak onderdeel van een bredere overeenkomst: de
franchise-overeenkomst. In dat geval wordt een compleet exploitatiesysteem (inclusief gezamenlijke inkoop,
marketing, etc.) ter beschikking gesteld.
De "franchisee" betaald royalty's voor het gebruik van dat systeem. Voordeel voor de
"franchisor" is dat hij zelf niet zoveel hoeft te investe- ren. Bekende voorbeelden van
franchise-ketens zijn MacDonald's en de Hema.
Gemeenschappelijke markt
Als goederen met toestemming van de merkhouder in de Europese Economische Ruimte (EER) in de handel zijn
gebracht, kan die houder zich niet verzetten tegen verdere verhandeling binnen deze Ruimte. In het merkenrecht
geldt een Europese uitputtingsregel.
Zie verder: Rechtsgebied - Algemeen - Verdragen - Europese Economische Ruimte.
Verkoopt Nike dus sportschoenen in de EER, dan kan het bedrijf er niets tegen doen als deze schoenen worden
doorverkocht. Nike kan wel optreden als de schoenen buiten de EER in de handel zijn gebracht en
vervolgens worden geïmporteerd.
Er is echter een uitzondering op de uitputtingsregel. Het merkrecht is niet uitgeput als er gegronde
redenen zijn om zich te verzetten tegen verdere verhandeling van de waren.
Denk bijvoorbeeld aan wijziging of verslechtering van de toestand van de waren, nadat deze in de EER in de handel zijn gebracht.
Logisch: het merk zou grote schade ondervinden als anderen de kwaliteit van de waren zouden mogen verminderen.
Geneesmiddelen mogen echter wel een andere verpakking krijgen indien dat strikt noodzakelijk is, bijvoorbeeld vanwege de regelgeving
in een bepaald land. Er gelden wel strikte voorwaarden. Zie o.a. het Euromedica/Merck-arrest van de Hoge Raad (2002).
Uitputting van het merkrecht brengt mee dat de wederverkoper mag adverteren met het merk. Hij moet
immers zijn waren aan de man kunnen brengen. Daarbij dient hij zich wel loyaal
te gedragen. Anders kan er alsnog sprake zijn van een "gegronde reden".
Zo mag gebruik van het merk in het reclamemateriaal de reputatie van het merk niet ernstig schaden.
Ook mag de wederverkoper niet de indruk wekken dat hij tot het distributienet van de merkhouder behoort.
Zie het Dior/Evora- en BMW/Deenik-arrest van het Hof van Justitie uit 1997 en 1999.
Gemeenschapsmerk
Op grond van de in 1996 in werking getreden Verordening inzake het Gemeenschapsmerk kan via één
aanvrage voor het gehele gebied van de Europese Unie een merkrecht verkregen worden.
Belanghebbenden, bijvoorbeeld een "oudere" Benelux-merkhouder, kunnen binnen drie maanden na publicatie
van de aanvrage bezwaar maken. Slaagt deze oppositieprocedure, dan wordt de gehele aanvrage
(dus voor alle landen van de Europese Unie) afgewezen.
Zie uitgebreid: Bescherming - Merkdepot - Gemeenschapsmerkdepot.
Het is ook mogelijk om in één keer in de bij de Overeenkomst van Madrid en het daarmee samenhangende Protocol aangesloten landen (ruim
tachtig!) een merkinschrijving te verrichten.
De basis van een dergelijke Internationale Registratie is een bestaand Benelux-depot of bestaande Benelux-inschrijving.
Na de registratie ontstaan aparte merkrechten in de verschillende landen.
Nadeel is wel dat als in de eerste vijf jaar het basisdepot of -inschrijving wegvalt, ook de Internationale Registratie (geheel of gedeeltelijk) wegvalt.
Groot voordeel van een Internationale Registratie is dat als in een land de aanvraag tot inschrijving wordt afgewezen,
deze in de andere landen in stand kan blijven.
Zie ook: Bescherming - Merkdepot - Internationale Registratie.
Meer weten over Intellectuele Eigendom? Zie Rechtsgebied - Algemeen.
Email: info@bescherm-uw-idee.nl -
Telefoon: 065 3344558 -
U kunt ook gebruik maken van onderstaand formulier.
Nieuws | Over ons | Doelgroep | Rechtsgebied | Bescherming | Inbreuk | Afspraken | Workshop | Advocatuur
Boek van de
maand
Appetite For Self-Destruction, Knopper (2009)
Film (DVD)
Flash Of Genius, Abraham (2009)
Recensie
Trailer
U komt hier terecht op de website van bol.com.
Externe links
Links die genoemd worden in de tekst:
Benelux-Verdrag inzake Intellectuele Eigendom
Merkenharmonisatie-
richtlijn
Unieverdrag van Parijs (engelstalig) -
aangesloten landen
TRIPs-verdrag (engelstalig)
Overeenkomst van Madrid (engelstalig) -
Protocol (engelstalig) -
lidstaten
Verordening inzake het Gemeenschapsmerk
Sat.2-arrest, Hof van Justitie, 2004
Für Elise-arrest, Hof van Justitie, 2003
Sieckmann-arrest, Hof van Justitie, 2002
Mag Instrument-arrest, Hof van Justitie, 2004
Canon/Cannon-arrest, Hof van Justitie, 1998
Philips/Remington-arrest, Hof van Justitie, 2002
Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom
Postkantoor-arrest, Hof van Justitie, 2004
Ansul/Ajax-arrest, Hof van Justitie, 2003
Häupl/Lidl Stiftung-arrest, Hof van Justitie, 2007
Bostongurka-arrest, Hof van Justitie, 2004
Verordening inzake geografische herkomst- aanduidingen
Arsenal/Reed-arrest, Hof van Justitie, 2002
BMW/Deenik-arrest, Hof van Justitie, 1999
Arthur & Félicie-arrest, Hof van Justitie, 2003
Adidas/Marca-arrest, Hof van Justitie, 2000
Sabel/Puma-arrest, Hof van Justitie, 1997
Lloyds/Loint's-arrest, Hof van Justitie, 1999
Adidas/Fitnessworld-arrest, Hof van Justitie, 2003
Matratzen-arrest, Hof van Justitie, 2006
Sir/Zirh-arrest, Hof van Justitie, 2006
Chiemsee-arrest, Hof van Justitie, 1999
Davidoff/Gofkid-arrest, Hof van Justitie, 1999
Chevy-arrest, Hof van Justitie, 1999
WE/ME-uitspraak, President Rechtbank Utrecht, 2001
Passies/Gaos-arrest, Hof Amsterdam, 2000
Euromedica/Merck-arrest, Hoge Raad, 2005
Dior/Evora-arrest, Hof van Justitie, 1997
Links die niet genoemd worden in de tekst:
Voorbeeld van een Benelux merkinschrijving
Aanbevolen boeken
U komt hier terecht op de website van bol.com.
De bedrijfsnamenfabriek, Wijman (2007)
Blijf van m'n naam af!, Kist (2007)
Buckler? Proost!, Langeveld (2004)
Juridische aspecten van geografische aanduidingen, Vroom-Cramer (2003)
Externe links vallen buiten onze verantwoordelijkheid.
Bescherm uw Idee b.v.
Advies inzake Intellectuele Eigendom - sinds 2001